Drie bij hooguit drie meter. Groter is de wereld Mohamed Toha (18) al drie jaar niet meer. Hij ligt roerloos op een anti-doorligmatje op de grond in een donkere hut - niet meer dan een bamboe constructie met witte zeilen waar her en der een blauw UNHCR-logo op staat. Het schijnsel van een schemerlampje aan de wand versterkt de bleke kleur van zijn gezicht. Zijn mond staat halfopen, hij ademt zwaar.

Dat er buiten het hutje in het kamp zo’n miljoen andere Rohingya wonen, gaat volledig langs hem heen. Dat hij zelfs een piepklein onderdeel is van het grootste vluchtelingenkamp ter wereld, zegt hem niets. Zijn vader, Ahmed Hosen (44), zit zwijgend naast hem in kleermakerszit. Achter een doek verdwijnt zijn vrouw met een baby op de heup. ‘Mijn oudste zoon ligt hier al drie jaar op de grond en zijn toestand maakt ons intens triest,’ vertelt Ahmed zacht.

Rohingya Ahmed door Ruben Timman

Brandende huizen

Ahmed woonde met zijn negenkoppige gezin en ouders in het Myanmareese dorpje Shabe. ‘Ik had een goed leven: een fijn huis, een baan bij een hulporganisatie, eigen koeien, gezonde kinderen en weinig zorgen. Dat veranderde in één klap op 25 september 2017. Na het vrijdaggebed praatte ik nog wat na met dorpsgenoten over de schoten die ons die nacht uit onze slaap hielden. Toen uit het niets het leger ons dorp binnenkwam en ik de eerste rookpluimen van brandende huizen om ons heen zag. Opnieuw klonken er schoten; nu heel dichtbij. Het leger had het nu op ons gemunt. Mijn zoon Mohamed wilde weten wat er gaande was en ging op onderzoek uit. Voor hij het wist, trof een kogel hem recht in zijn keel, die dwars door zijn hals vloog.’

Jungle

Ahmed geloofde niet dat zijn zoon nog leefde, omdat hij veel bloed verloor en snel buiten bewustzijn raakte. ‘Ik kon geen kant op, want overal blokkeerde het leger de vluchtwegen van het dorp. Dus moesten we een dag wachten voordat ik met hem richting Bangladesh kon vluchten om hulp te zoeken. Met mijn vriend Aman Ullah legde ik Mohamed op een provisorische draagbaar en begon een helse tocht.’

Achteraf beschrijft Ahmed de reis als zeer traumatisch, al was het maar omdat hij de rest van zijn gezin in een levensgevaarlijk gebied achterliet. De kilometers door de jungle vroegen het uiterste van het duo en pas drie dagen later passeerden ze middenin de nacht de grens met Bangladesh. ‘Ik ben God dankbaar dat de politie de kritieke toestand van mijn zoon in zag en ons tegen de orders in door liet reizen naar een ziekenhuis. Daar lag hij uiteindelijk twee maanden, al verbeterde zijn situatie nauwelijks. De zorg die hij nodig heeft, kan ik niet betalen en dat maakt me kapot vanbinnen. Gelukkig kreeg hij na zes maanden weer kracht in zijn armen en nek, maar helaas blijft hij van zijn middel tot zijn tenen verlamd.’

Alleen God kan ons lot keren, dat van mijn volk en van mijn oudste zoon.

Rolstoel

In die uitzichtloze toestand ligt zijn oudste zoon letterlijk zijn tijd uit. Alle spierkracht verdween al uit zijn graatmagere benen. Ahmed laat de stoma van zijn zoon zien. Mohamed ondergaat zijn lot lijdzaam. ‘Hij kan moeilijk praten door de wond en is helemaal in zichzelf gekeerd. Buiten staat een rolstoel. Helaas wil hij er nauwelijks nog in en trouwens, je kunt hem niet fatsoenlijk duwen over de slechte paadjes in het kamp. Natuurlijk hoop ik op een wonder. Dat zijn benen ooit weer krachtig worden en dat hij zijn eigen leven op kan bouwen. Maar ik ben realist genoeg om te weten dat ik daarvoor veel geld nodig heb.’

Stateloos

Rondom het hutje van Ahmed begint het een drukte van belang te worden. Meerdere van Ahmeds zeven zoons vallen binnen, luisteren even mee en verdwijnen dan weer vanuit de schermerdonkere ruimte naar buiten, waar vriendjes op hen wachten. Ahmeds tranen vloeien rijkelijk als hij over zijn gezin praat. Zijn monotone stem krijgt meer reliëf als hij zijn licht laat schijnen op een oplossing voor de miljoen vluchtelingen in het Kutapalong-kamp. ‘Ik heb geen eigen land en ben stateloos. Dat krenkt mijn trots. Ik heb rechten, maar kan daar als Rohingya geen aanspraak op maken. Alleen door internationale druk van grote landen kan het leger van Myanmar tot de orde worden geroepen en ons veilig terug te laten keren. Willen mijn kinderen überhaupt een toekomst hebben, dan kan dat alleen in Myanmar. In Bangladesh kunnen we niet tot in lengte van dagen blijven. Dat willen wij niet en steeds minder Bengalen ook, want we merken dat de spanningen toenemen. Tot nu toe redden we het en is er sporadisch een incident, maar ik merk dat het zo om kan slaan. Ik kan geen plannen maken en kijk vaak omhoog. Alleen God kan ons lot keren, dat van mijn volk en van mijn oudste zoon.’

Tekst: Maarten Nota, Beeld: Ruben Timman

Help mee!

Afbeelding
Noodhulp

Noodhulp

We werken in crisisgebieden. Dat doen we bijvoorbeeld in Syrië, India en Haïti. Daarnaast komen we in actie bij acute noodsituaties die ontstaan door natuurrampen en gewapende conflicten. We zien dat het aantal noodsituaties in de wereld toeneemt. In een groeiend aantal landen en regio’s zijn er klimaatrampen en conflicten. Steeds meer mensen slaan hierdoor op de vlucht of vrezen dagelijks voor hun leven. We ondersteunen hen door te werken aan voedselzekerheid, veiligheid, wederopbouw en het meebouwen aan weerbare gemeenschappen.
Gerelateerde content
Vrouw in Bangladesh
Project
Lees meer
Bangladesh
Afbeelding
Noodhulp

Noodhulp Rohingya-vluchtelingen Bangladesh

In augustus 2017 ontvluchtten meer dan een miljoen Rohingya het gruwelijke geweld in Myanmar. Nog steeds leven de [...]
Lees meer
Boot ter illustratie
Verhaal
Lees meer
25 februari 2021

Wanhoop over noodsituatie Rohingya op zee

VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR heeft de noodklok geluid om Rohingya die al tien dagen ronddobberen op een boot in de [...]
Lees meer