Tearfund-directeur Guido de Vries bezocht het opvangkamp Tawila in Noord-Darfur. Daar ontmoette hij mensen die alles waren kwijtgeraakt. Hun boodschap was steeds dezelfde: vergeet ons niet.
Er is veel onzichtbaar leed. Veel trauma blijft onbehandeld.
Soedan kampt met een van de grootste humanitaire crises ter wereld. Volgens de Verenigde Naties zijn meer dan 30 miljoen mensen aangewezen op hulp. De langdurige belegering van El Fasher mondde uit in hongersnood en dwong honderdduizenden mensen hun huizen te verlaten. Honderdduizenden mensen zochten hun toevlucht in het opvangkamp Tawila. Tearfund-directeur Guido de Vries bezocht het gebied onlangs en vertelt over het enorme leed dat hij daar aantrof.
‘Anderhalf jaar geleden vonden er veel meer gevechten plaats in Noord- en West-Darfur, waardoor het onveilig was om daarheen te reizen. De vluchtelingenkampen in Tsjaad vingen vluchtelingen uit West-Darfur op. De situatie in Noord-Darfur was toen gewoon te onzeker om de grens over te gaan.
Nu wordt er in dat gebied veel minder gevochten. Daardoor was het relatief veiliger om het gebied te bezoeken. Er zijn nog wel sporadische aanvallen met drones, maar het was veilig genoeg om te gaan.’
‘Vooral de omvang. Er zijn daar ongekend veel mensen op één plek. Naar schatting zeven- tot achthonderdduizend mensen. En iedere dag komen er nog nieuwe mensen bij. Er is een acuut tekort aan water, hygiënische omstandigheden zijn belabberd en er is behoefte aan bescherming voor vrouwen en meisjes en onderwijs. Tegelijkertijd is er totaal geen zicht op terugkeer. Mensen weten niet wanneer ze ooit weer naar huis kunnen. Er lopen strijders rond en er is weinig veiligheid. Sommige vrouwen zien helaas prostitutie als enige manier om geld te verdienen. Kindhuwelijken komen voor omdat families daarmee een bruidsschat ontvangen en een mond minder hoeven te voeden. Dat is pure wanhoop. Mensen doen wat ze kunnen om te overleven. En er is veel onzichtbaar leed. Veel trauma blijft onbehandeld.’
‘Tsjaad is zelf geen land in oorlog. Daar functioneert de infrastructuur nog veel beter. De mobiele netwerken werken, ministeries functioneren en logistiek is eenvoudiger te organiseren. Ook daar zijn problemen en tekorten, maar in Darfur merk je dat je midden in een oorlogssituatie zit. Alles is veel kwetsbaarder.’
‘Als je geld hebt, kun je water en voedsel kopen op de markt. Er zijn markten en er is handel. De opvangkampen in Tawila bestaan al enkele jaren. Mensen die daar vanaf het begin verblijven hebben iets van een bestaan weten op te bouwen. Die bedrijvigheid is kleinschalig. Je ziet bijvoorbeeld dat kinderen werken met ezels om water te vervoeren. Vrouwen en meisjes werken in steenbakkerijen om wat inkomen te verdienen. Er is dus wel enige economische activiteit, maar die vindt plaats in een economie die draait op schaarste. Sinds de val van El Fasher, ruim een jaar geleden, zijn er veel nieuwe mensen in Tawila terechtgekomen. Veel van hen hebben niets meer en zijn volledig afhankelijk van hulporganisaties. Als die hulp niet voldoende is, gaan mensen buiten het kamp op zoek naar water in droge rivierbeddingen. Dat water is vaak vervuild, met grote gezondheidsrisico’s, vooral voor de meest kwetsbaren.’
Ik wil machteloosheid niet het laatste woord laten hebben.
‘Iedereen vertelde verhalen over verloren kinderen en verloren ouders. Over familieleden van wie ze niet weten waar ze zijn. Veel mensen wachten gewoon op de volgende voedseldistributie. In mijn gesprekken proefde ik vooral hopeloosheid. Ik heb mensen eigenlijk niet durven vragen waar ze hun hoop vandaan haalden. Ik sprak een jonge vrouw van achttien jaar tijdens een voedseldistributie. Haar ouders waren vermoord in El Fasher. Zij droeg nu alleen de verantwoordelijkheid voor vier jongere broers en zussen. Bij een mobiele kliniek sprak ik een vrouw die onderweg naar het kamp haar ouders had verloren. Ze liet de kogelwonden in haar arm zien. Ze had een ondervoed kind bij zich. Beide vrouwen stelden uiteindelijk dezelfde vraag: vergeet ons niet en help ons.’
‘We reden van het ene deel van het kamp naar het andere. Onderweg zag ik overal hoopjes zand met wat doornstruiken eromheen. Ik vroeg wat het was. Het bleek een begraafplaats te zijn. Over een groot terrein lagen honderden graven verspreid. Dat was wel heel confronterend. Maar misschien nog meer confronterend was het gevoel van machteloosheid. Je rijdt zo’n kamp binnen in een auto van een hulporganisatie. Mensen komen naar je toe omdat je zichtbaar een buitenstaander bent. En op een gegeven moment vroeg ik mezelf af: wat kom ik hier eigenlijk doen? Kan ik deze mensen werkelijk perspectief bieden? Eigenlijk niet.
Ik heb best een paar keer moeten slikken en tranen moeten wegknipperen. Vooral bij de mobiele klinieken, toen ik de verhalen hoorde en de ondervoede kinderen zag. Normaal ben je daar als professional. Maar soms breekt de emotie daar even doorheen. Dat was voor mij ook een teken hoe ernstig de situatie is.’
‘Heel eerlijk: ja, grotendeels wel. Maar ik wil machteloosheid niet het laatste woord laten hebben. Mijn belangrijkste doel was uiteindelijk om dit verhaal te kunnen vertellen. Om aandacht te vragen voor Soedan. We moeten blijven vertellen wat daar gebeurt. We mogen niet over vijf jaar terugkijken en zeggen dat we eerder hadden moeten handelen. Dit is opnieuw zo’n moment waarop de wereld moet ingrijpen.’
‘Dit conflict krijgt uiteindelijk alleen een politieke oplossing. Geen van de strijdende partijen gaat deze oorlog winnen. Er moet veel meer politieke druk komen op de regionale machten die profiteren van dit conflict en het in stand houden. Zolang wapens, geld en economische belangen blijven stromen, blijft ook het geweld doorgaan. De mensen die ik sprak willen uiteindelijk hetzelfde als ieder ander: vrede, veiligheid en de mogelijkheid om hun leven weer op te bouwen.’
‘Wat mij raakte was dat veel ambtenaren al lange tijd geen salaris meer ontvangen, maar toch iedere dag naar hun werk gaan. Ze komen opdagen omdat ze iets willen betekenen voor hun land en voor hun gemeenschap. In een land dat zo is verscheurd, vond ik dat indrukwekkend. Het liet mij zien dat de menselijkheid in Soedan nog niet verdwenen is.’
Over de hele wereld hebben miljoenen mensen te maken met oorlog, honger, armoede, onrecht en de gevolgen van klimaatverandering en rampen. De nood is groot. Toch hoeven we niet machteloos toe te kijken. Sta stil bij het onrecht en bid mee. Hoe kun je stilstaan bij de wereldwijde nood?